Inhoudsopgave

 

     Gedichten

 

     Inhoudsopgave (eerste regels)

    

    Bron aller lichten,

     Waaraan ontleen ik toch de moed

     Hoe een dichter in elkaar zit –

     Wanneer ik zacht mijn verzen zeg

     Je moet wat meer naar boven kijken

     Hij heeft nooit in het gras gelegen

     Een torenhaan blinkt als een ster;

     ’t Is een weelde, wat je ’s zomers

     O, de wisseling van licht,

     Het reist alleen, heel kalm en waardig.

     Hij kan er bossen zien noch duinen;

    Mag ik fietsen?

     Het geeft niet, hoor, dat jij met taal

     Bouw een stevig staal-skelet

     Wanneer ik door de polder ga

     De hoek om en de stralenval

     Mijn voet op een paaltje,

     Elk raam omvat een schilderij

     Bij de grutto’s en de koeien,

     De eerste kaarsen branden al;

     Wat overal verborgen zat

     Daar komt de rustverstoorder aan –

     Tussen aardrijkskunde en

     Kind, ga niet achteloos voorbij

     Ik heb Uw bloemen neergezet

     Op schrale dorre heidegrond,

     O blijde vogelen des hemels,

     Dit is sport (al zit je stil):

     Zij ruzieden om schoppenvrouw –

     Hij is zijn kudde welgezind

     Er werd gesproken over orde,

     Ik kan de maat niet schatten

     Ik schoof het dode blad terzijde

     Hij wierp zich op de wieken

     Een dolle bries blies lustig op

     De branding ruist met elke roller

     Er zat muziek in dat bestaan;

     Hij staat daar als een majesteit –

     Gij wilt de draden van uw leven

     De "Bries" is uit de vaart genomen;

     Het bos steekt zich in feestgewaad

     Op een tijdlijk schiereilandje

     Vaak lijkt dit leven op een schuur

     Wij zijn als schepen onderweg –

     Kunt ge het verre niet bereiken,

     Het stamt uit vèr-verleden tijden;

     Er is geen hand, die dit beschrijft:

     Ademloos heeft hij geluisterd

     Ik pendel tussen wit en zwart,

     Omdat het ook jouw vreugde is

     Ik heb de wijdheid zeer bemind -

 

Gedichten II

 

Inhoudsopgave (eerste regels)

 

 Door een groene poldersloot

 o Rembrandt

 O Kind, hoe kom je

 Een zeil in zicht

 Er stonden jonge berken

 Ik vond een kleine edelsteen

 God, dicht Gij door mij heen?

 o Als ik zijn talent bezat

 Je reed acht keer naar Parijs

 Het is niet nodig om te weten

 Als Rembrandt nu eens naast me stond

 Waaromtoch zijn wij hiervandaan

 Ze sloeg een stille zijweg in

 Hoe kon uit steen

 Zij hingen bij tabak en drank

 De winter heeft z’n kwaje kansen

 Ze weem’len altijd van getallen

 Een andere spiegel had zij niet

 Waar heb ik jullie meer gezien?

 De wind heeft met zijn ruige kwast

 Vervreemd van oorsprong en natuur

 Ze wilden daar naar olie boren

 Hij is een zeer bevoorrecht man

 Herinnert u zich nog

 Dit is de streek die Rembrandt zag

 Sinds jaar en dag ziet hij de zon

 Spring maar touwtje

 Een koning was doodongelukkig

 Ik heb gedroomd toen zij krepeerden

 Een merrie draafde door de wei

 Stilaan stonden alle buren

 De doden worden niet genoemd

 Kijk toch: Op die waterbaan

 Zij, aan de verten van het veld

 Er wachten schuiten

 En Adam mocht ze namen geven

 Een hinde tripte door het bos

 Twaalf jaren.."Onze zonneschijn

 Ik ken een mens, die

 Éen van zijn leukste wijsjes

 Zoals dat slootje kronkelde

 Toontje heeft een plaat gestolen

 Het grootste wonder is voor mij

 Jij slaapt al uren