Gedichten P. de Vries

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wolken

 

 Je moet wat meer naar boven kijken

de straten zijn zo saai en grauw.

De hemel kan een mens verrijken

met feilloos wit op peilloos blauw.

 

’t Is wonder, wat de zon kan halen

uit flarden kille, kleffe damp –

mist, anders niet – maar die haar stralen

verheffen tot een zilv’ren lamp.

 

Zelfs als het grote licht gaat zinken

en sterft z’n schone, schone dood,

dan doet het nog de wolken blinken

van gloeiend goud en vlammend rood.

 

Je moet maar véél naar boven kijken.

De straat biedt vaak zo’n geestloos beeld,

dat je de moed haast zou bezwijken –

Let op, als God Zijn goud uitdeelt!

 

Voor allen! Ja, ook voor de kwaden

bestraalt Zijn licht paleis èn krot.

Je mag ’t waarderen of versmaden –

Er is geen onderscheid bij God

 

O wen jéraan omhoog te kijken.

want dit zien heeft een diepe zin:

Eens zal de saaie grauwheid wijken.

Dan luidt God-Zelf wat Beters in.

 

             

  

 

De klokjesgentiaan

 

 Op schrale dorre heidegrond,

waar tormentil en dophei stond,

daar is het mij vandaag gelukt;

daar heb ik eindelijk geplukt


die ’t blauw des hemels heeft geleend,

die zoveel schoons in zich vereent;

Waar tormentil en dophei staan,

vond ik de klokjesgentiaan.

 

   

Al wou geen mens mijn verzen lezen,

dan zou ‘k er zelf toch blij mee wezen

en denken: Maakte ik dit lied?

Het lijken verzen van een ander;

wij blijven vreemden voor elkander

en tot begrijpen komt het niet.

 

 

 

  

 Zomeravond in een polder


Een torenhaan blinkt als een ster;

de lange schaduwen gaan ver

de stille weiden over.

Die glanzen schoner dan smaragd

nu op hun groenheid gloort de pracht

der laatste zonnetover.

 

Een gele lis gloeit als een lamp;

in sloot en greppel zilvert damp;

wulp, meeuw en grutto vluchten

naar wachtend kroost of eenzaam nest

en in het avondlijk gewest

zijn parelmoer de luchten.

 

  

 

Wat ook Hobbema boeide . . . .

 

 O, de wisseling van licht,

vorm en kleur in ’t spel der wolken!

Even is de hemel dicht;

dan weer steken gouden dolken

 

door een venster of een kier.

Landen zie ik en kastelen;

de gedaante van een dier –

Wind en wolken blijven spelen

 

heel de lieve lange dag.

Dagen mag het van mij duren

wat ik duizendkeer al zag:

’t Schouwspel van de windskulpturen.

 

 

 

  Een gelijkgestemde is gebonden

aan zijn kamer op een hoge etage.

 

Hij kan er bossen zien noch duinen;

maar o . . . . de tooi der hemeltuinen!

En vaak de vogels erlangsheen,

een paar, een zwerm of één voor één;

hun ranke silhouetten tegen

het stralend blauw der wolkenwegen.

Soms kijkt hij uren naar de lucht,

naar wolkenpracht en vogelvlucht.

Geen kan de diepe vreugde gissen

van die zóveel moet missen.

èn geen weet, wat hij droomt en denkt,

wanneer een zwaluw zwiert en zwenkt

en wolk na wolken overdrijven,

tenzij ik het voor u ga schrijven:

Uit welke voorraad vult gij aan,

wind, die de mateloze baan

der hemelen met zoveel wolken,

meer dan een etmaal kunt bevolken?

Van bijna-zwart tot blinkend-wit,

een scala tussen sneeuw en git.

Uit welke volle arsenalen

gat gij weer nieuwe stoeten halen –

ver achter deze karavaan?

Blaas door en vul de hemelbaan

met nòg meer wolkenmozaïeken.

Ik prijs u, Aeool, met de Grieken;

ook Phoebus, als hij met een dracht

van licht uw kemelen bevracht.

 

 

 

Tot een leerlinge

 

Het geeft niet, hoor, dat jij met taal

vaak moeite hebt en zwakjes rekent.

Ik, zeg je, dat het niets betekent

bij ’t letten op het windverhaal

 

of ’t kijken naar de bloei der grassen.

Op school mag het verdrietig zijn,

maar buiten doet een vier geen pijn,

waar duizend vreugden ons verrassen.

 

Wanneer je speurzin vlinders vindt

of vogels, die naar ’t zuiden trekken,

dan zul je ’n paradijs ontdekken,

veel mooier dan mijn lessen, kind.

  

      *         *         *         *         *

 

  Maar dankbaar word je wederom

als je in riet en dotterblom

of simpel in een spreeuwendrom

het eigene herkent.

 

Je wou, dat je daar blijven mocht

bij ’t sluisje in de molentocht,

waar ’n ooievaar een kikker zocht –

als gindse struise vent,

  

die wijdbeens op de akker staat,

de zicht door ’t rijpe koren slaat

en fluitend straks naar huis toe gaat,

‘wijl hij de grond nog kent,


 

de grond, waaruit zijn rogge sproot,

’t kamille-wit, het zuring-rood;

waarop de wolk zijn water goot,

de zon haar warmte zendt.

 

 

  

 

Fietsend langs de Linge

 

Mijn voet op een paaltje,

de zon op het veld –

zo luister ik naar wat

een vogel vertelt.

 

Een zilverig wolkje

trekt over; een sloot

weerspiegelt het even.

De kersen zijn rood

 

en lokken en lonken;

de vogel zegt "pik"-

Temidden van deze

verrukkingen ik:

 

Bevoorrecht uit velen,

ínblij met de zon,

die alles zó mooi maakt,

of ’t gìsteren begon

 

 

  Aan één van mijn lezers

 

Bij de grutto’s en de koeien,

bij de planten, die er bloeien

langs een sloot of naast een sluis

voel ik me bizonder thuis.

 

Bij de boeren en hun paarden,

tussen akkers, weiden, gaarden

waar de vruchten blozend zijn,

daar ligt nu mijn kroondomein.

 

In de stille koninkrijken

van de beuken en de eiken,

onder larix, den en berk

is het mij als in een kerk.

 

Aan de ruige waterzomen

mocht ik vaak mijn verzen dromen,

luistrend naar het windelied

op de harpen van het riet.

 

‘k Heb ze aan u doorgegeven;

en zo kwam voor u tot leven

wat ik op een schone dag

op mijn lichte wegen zag.

 

 

  

Een lentejoligheidje

 

Wat overal verborgen zat

langs weg en weide, poel en pad

loopt nu veelduizendvormig uit

van zilverschoon tot fluitekruid.

 

De kleinste bloem, het simple gras

op wal en berm rond sloot en plas

draagt tot de grote vreugde bij:

Het bruiloftsfestival in mei.

 

Want zon en aarde zijn een paar,

dat elke bloeimaand van het jaar

de trouwdag zó uitbundig viert,

dat alles weken meepleziert.

 

 

 Voor Collega’s
NIET AAN HET BESTUUR VERKLAPPEN


Tussen aardrijkskunde en

onvoltooid verleden tijden

in, laat ik mijn blijde blik

wel eens langs de hemel glijden.

 

 ’t Grote venster op twee-hoog

gunt me wijde perspectieven:

Wolkenluister zie ik en

meeuwen, die de winden klieven.


Monotoon en troosteloos

is de woestenij der daken.

Maar daarboven mag mijn oog

aan des hemels prachten raken.

 

 

 

Ik heb Uw bloemen neergezet

 

Ik heb Uw bloemen neergezet,

als tooi en opfleur in mijn flat.


Ikzelf heb vaak een dichtboeket

bij Arendsdorpers neergezet.


Geen orchideeën; nee – dat niet;

wat boterbloemen en margriet,

eenvoudig in het veld geplukt.


Maar desondanks is ’t mij gelukt

om met margriet en boterbloem

in klein bestek iets goeds te doen;


en U, tot mijn verheugenis,
zei, dat ook dit belangrijk is.

 

 

 

 Vakantie op het water!

 

Dit is sport (al zit je stil):

boten dwingen naar je wil;

door het stuiven van de steven

’t water van de plas doen leven;

voor de boeg een golvenpluim,

achter ’t roer een kolk van schuim.

 

Rustig langs een rietkraag deinen;

hier een roerdomp zien verschijnen,

daar de gondel van een zwaan

tussen plomp en lis ontdekken;

en op één der mooiste plekken

urenlang voor anker gaan.

 

 

De Onderwijzer,

die ik poog te zijn

 

Hij is zijn kudde welgezind

en zwaait zijn scepter met ambitie.

Hij bulderbast èn tapt een mop –

Bij taal of rekenrepetitie

 

zegt hij: Het hoeft niet af, hoor kind.

Doe rustig aan en maak geen fouten –

Maar wie gemeen doet, klikt of knoeit,

die hoort de waarheid, ongezouten.

 

Hij vraagt niet naar het intellect:

het hart bepaalt des mensen waarde.

Want wie een lijst met vieren heeft

is tòch misschien ...... een fijn-besnaarde.

 

Hij laat zijn Ideaal niet los

en (Dit is wel zijn diepst verlangen)

vertrouwt, dat van zijn woord en wenk

bij ’t gros der schare iets blijft hangen.

 

En duizend eeuwen later

als wij het niet meer zien,

schrijft daar een meeuw misschien

zijn lied op wind en water.

 

In gracieuze kringen,

met fel en schel gekrijs

(elk schepsel op zijn wijs)

zal hij het licht bezingen.

 

Een ander zal dan lezen

wat ik vanmorgen las,

waar ik zo blij mee was –

Eén uur een meeuw te wezen!

 

 

Over mijn Lievelingsvogel


Ik kan de maat niet schatten

der hoogte, waar hij zweeft

en van zijn vreugde leeft –

Die vreugde kan ik vatten:

 

Als ik een meeuw mocht wezen,

één enkel uur, dan zou

u op het hemelblauw

ook mijn verrukking lezen,

 

mijn vreugde om de prachten

van water, zon en wind.

Ik voel me als een kind

met vrolijke gedachten,

 

zo dikwijls ik de meeuwen

met duikelende vlucht

zie schrijven op de lucht –

hun spel, reeds duizend eeuwen.

 

En duizend eeuwen later

als wij het niet meer zien,

schrijft daar een meeuw misschien

zijn lied op wind en water.


In gracieuze kringen, 

met fel en schel gekrijs

(elk schepsel op zijn wijs)

zal hij het licht bezingen.


Een ander zal dan lezen

wat ik vanmorgen las,

waar ik zo blij mee was –

Eén uur een meeuw te wezen!

 

  

 

De paarde bloem en de wind

 

Een dolle bries blies lustig op

de paardebloemen-pluizen

en deed ze, gierend van de pret,

naar ‘k-weet-niet-waar verhuizen.

Hij voerde, met of zonder zin,

ze mee zo ver hij kon.

En waar zo’n pluisje viel verrees

een kleine gouden zon.

 

 

 

Over de vroegere grote vaart


Er zat muziek in dat bestaan;

het vergde moed en staalde

degene, die het aandorst en 

’t vaak met de dood betaalde.

 

Het was een tarten van het weer

z’n bonte hebb’lijkheden.

Hoe menig man heeft in die strijd

de nederlaag geleden . . . .

 

Maar als de wind hem mee was en

de zee zijn blauwe woning,

dan voelde in dit groots bedrijf

de kleine mens zich koning!

 

Ai la – dat ging erover! Op

en neer – Rondom de steven

een witte wal van bruisend schuim:

De trots van ’t zeemansleven.

 

En soms was het een wedstrijd met

de dartele dolfijnen.

Die speelden er hun spattend spel

van duiken en verschijnen.

 

De winden zongen door het want

hun monotone wijzen.

Maar symphonieën zijn ’t voor die

het liefst de zee bereizen.

 

 

 

Bij de Matterhorn

 
Hij staat daar als een majesteit –

Eens in een lang verleden tijd

heeft hem een mens voor ’t eerst gezien

en stond verstild en dacht misschien

bij deze berg, zo trots, zo schoon:

Dit is gewis een godentroon –

en heeft naar zijn begrip geloofd

in Hoger Macht en boog het hoofd.

 
Sindsdien hief hij ’t met eerbied op

naar ’t glanzen van de witte top

of naar de zilvren wolkenkroon

rond de verborgen hemeltroon.

 

 

 Op een golfbreker bij Kijkduin


Op een tijdlijk schiereilandje

(slechts mijn stoeltje nam ik mee)

zit ik, van de wind omzongen,

 midden in de grote zee.


’t Spel der rusteloze golven,

wèg en wéér, is om mij heen –

‘k Heb een zeer bescheiden zetel

en mijn voetbank is een steen.


Maar m’n blik reikt naar de verten

van een prachtig stuk heelal.

'k Ben benieuwd, of waar ter wereld

iemand zó genieten zal.

 

Naar oneindig-verre oorden

torst men zware koffers mee.

Heerlijk, als je ’t óók kunt vinden

op een stoeltje bij de zee.

 

met de zilte geur van ’t water

in je neus en voor het oog

’t mateloze uitzicht op een

onbefloerste kimmeboog.

 

 

 

Wij zijn als schepen onderweg

 

Wij zijn als schepen onderweg –

Gij leest de naam af van mijn steven;

ik spel de letters in uw zeil.

Dan strijken wij de vlaggen even.

  

Maar of de vlag de lading dekt

en wat aan moeite, nood en zorgen

het ruim bevat – dat blijft van u

voor mij, van mij voor u verborgen.

 

 

 Bij een slot

 

Het stamt uit vèr-verleden tijden;

een brede wingerd dekt de muur

en rankt rondom het oude wapen:

Een gouden vogel op azuur.

 

"De hoogte prikkelt me tot stijgen"

vertelt mij het latijns devies –

Blijf, vogel, door mijn denken wieken

opdat ook ik uw richting kies.

 

 

      *     *     *     *     *     *

 

 

 

 

 

 

  

 Kathedraal-bezoeker

Ademloos heeft hij geluisterd

naar de taal van ’t glas-in-lood,

naar de kleurige vertolking

van de Bijbel – Hoog en groot

 

stonden voor zijn wijde ogen

Job en Jakob opgericht:

Job die worstelt om een antwoord,

Jakob in het gulden licht,

 

dat langs de saffieren treden

van de hemelladder daalt. . . .

Menselijke nood en zonde

door Gods vrede overstraald.


Kleur-geworden Evangelie

was hem ieder mozaïek.

In ’t bazuinenkoor der eng’len

zong de zon haar licht-muziek.


Ademloos heeft hij geluisterd

met zijn ogen, met zijn ziel

toen die morgen door de ramen

’t musicerend zonlicht viel.

 

 

Buiten - zijn

(voor mijn kinderen)

 

Omdat het ook jouw vreugde is,

zie ìk dit als een erfenis,

 

die overging van mij op jou:

M'n liefde voor het hemelblauw,

 

voor 't felle branden van de brem,

voor glanzend water, vogelstem

 

en zeegeruis; voor zonnegroet

en bloementooi en wolkenstoet.

 

Denk later nog eens, na mijn dood,

bij  't kijken naar het avondrood,

 

waarlangs de laatste reiger zweeft,

wat het voor mìj betekend heeft –

 

vlakbij of op een verre tocht –

en dank, dat jij dit erven mocht;

 

zoals ìk op een lichte dag

vaak dank voor wat ìk schouwen mag.

 

  

 

 

AMERICAN SIGHT SEEING


Er is geen hand, die dit beschrijft:

Een mens, die ’n uur in Brugge blijft;

die iedere barrière breekt,

waar ’t hart der middeleeuwen spreekt;

 

die langs de San Salvator rent,

zich even naar het Belfort wendt,

de beiaard hoort – en dan weer gauw

naar ’t heiligdom der lieve Vrouw.

 

 

Hij staat nauw een seconde stil

bij ’t Minnewater, want hij wil

het beeld van Memlinc ook nog zien.

Dat kan nog: een minuut of tien.

 

Kijk vlug: Dat is de Rollestraat,

waar ’t huisje van Gezelle staat.

Die kade is de Groene Rei;

te laat: het is alweer voorbij.

 

 O eeuw, die eerbiedloos ontwijdt

het stille worden in de tijd,

de liefde van een ver geslacht

dat deze schrijn heeft voortgebracht.

 

 

 

 

 

 

            

Aan iemand, die weinig van mij weet

 

Waaraan ontleen ik toch de moed

tot dichten, als de zon mij groet

of als ik – deinend op de wind –

de fijngepluimde grassen vind?

 

Het ergerde mij niet, als één

mij voorwierp: Is jouw hart van steen?

Ontloop je welbewust de nood,

het lijden en de gruweldood

 

van millioenen – jij die dicht

van bloemen in het lentelicht?

Ik vraag alleen: Vergis u niet;

en evenzeer: Verdraag mijn lied:

 

Wanneer het goede licht mij groet,

dan dicht ik weer; omdat ik . . . . moet

 

Eén

Hoe een dichter in elkaar zit –

hiervan hebt u geen idee.

Ook de man-in-kwestie zelve

zit er alle dagen mee.

 

Twee

Soms denk ik van een vers:

Hoe is ’t in mij ontvangen,

geboren en gegroeid?

Welk onbewust verlangen

verwekte dit begin,

dat rijm en deze beelden?

Alsof de handen van

een ànder mij bespeelden….

Al wou geen mens mijn verzen lezen,

dan zou ‘k er zelf toch blij mee wezen

en denken: Maakte ik dit lied?

Het lijken verzen van een ander;

wij blijven vreemden voor elkander

en tot begrijpen komt het niet.

    

Drie

Ik vang een toon en mij gehoor

Tast naar het zachte klankenspoor.

Het feest van weide, bos en zee –

Zo dikwijls als ’t mij mag gelukken

Om in die tuin een vers te plukken,

Neem ik het gaarne voor u mee.

 

Er daagt een vreugdevol begin;

ik vind een rijm, er deint een zin.

De toon houdt aan en lokt mij naar

een onvermoede verte, waar

mijn hand de laatste orde sticht

in rijm en ritme: Het gedicht.

  

Wanneer ik zacht mijn verzen zeg

en in die taal mijn wezen leg

(Als niemand medeluistert)

dan is ’t vaak, of een vréémde mond

die zinnen en dat ritme vond

alsof een ander fluistert.

 

 

           *      *      *

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoge

Hij heeft nooit in het gras gelegen

naast klaver, walstro of margriet;

die pure weelde kent hij niet:

Hij heeft en houdt zijn status tegen.

 

 Misschien zou hij me wel benijden,

als hij mij hier bij ’t water zag

op deze blauwe lentedag

met uitzicht op twee brede weiden.

 

Hij heeft op wal noch berm gelegen,

want zoiets past niet bij zijn stand.

O vreugden van de waterkant!

Geen status hebben – wat een zegen.

 

 

 

Jongens aan de kikkervangst

 

’t Is een weelde, wat je ’s zomers

in en langs de sloten vindt;

rietsigaren, salamanders

en het liedje van de wind

 

in de pruiken van de wilgen

Maar het mooist is wel de lis

met haar grote gouden kronen;

of ’t een feestverlichting is!

 

 

 Eenzaam wolkje

 

Het reist alleen, heel kalm en waardig.

De dag is blauw – Het staat zo aardig

op die oneindigheid van blauw.

Het breekt haar strakke effenheden.

Witblinkend kwam het aangegleden;

nu, bij de zon, zie ik het nauw.

Waar reist het heen? Langs welke wegen

trekt mee zijn koele schaduwgroet?

Straks heeft de zon het weggeschenen,

zoals zij vaak met wolkjes doet.

 

N.b. Hilde vond dit "enig"

 

 

 

 

 Tachtig km in de bocht


Mag ik fietsen? Mag ik lopen?

Mag ik zitten? Mag ik staan?

Hoef ik nooit en nooit en nooit meer

zo ellendig hard te gaan?

 

Rode plekken doen vermoeden

dat de klaproos welig bloeit;

gele vakken suggereren

dat er gerst of haver groeit.

 

Leuke weggetjes passeer je

zonder ooit één in te gaan .

Enkel kilometers tellen

en bij honderden verslaan.

 

Wat een weelde, daar dat slootje;

en onnozel roep je "Kijk"!

Weg is ’t en voorgoed verleden;

zit je alweer op een dijk;

 


 Schiet langs palen, scheert langs karren

vraagt goedaardig: "Is dat vlas?"

en herinnert je, hoe prachtig

Holland zònder tempo was

 

 

 

 Voor beginnelingen

 

Bouw een stevig staal-skelet

van beheersing, tucht en orde,

opdat uit de bonte bent

van je klas een eenheid worde.

 

Maar laat rond de strakke stijl

van je tucht een wingerd ranken,

van geduld en goedheid – Dan

gaat het leven in de banken.

 

 

 

  POLDERTOCHT


 

Wanneer ik door de polder ga

en turend bij een slootje sta

of eend of grutto gadesla

is dat mijn element


 

Wat vreugde haalt bij dit plezier:

als je met bloem en boom en dier

ver van het grotestadsvertier

een middag buiten bent

 

bij wat er vredig rust of groeit,

bij wat er hinnikt, blaat of loeit,

bij wat met korte poten roeit

of met z’n lange rent;


 

waar alles nog oorspronk’lijk is:

van populier tot gele lis.

Al schrijnt zo nu en dan ’t gemis:

we zijn dit feest ontwend.


 

 

Hoewel ik met animo werk

 

.De hoek om en de stralenval

der zonne door een blauw heelal

 

begroet me, lacht en lokt en boeit,

wijl ’t morgenwindje me omstoeit.

 

 En alle mufheid van het huis

wordt met het zwevend distelpluis

 

door ’t speels gewuif der windehand

gejaagd naar ’n vergelegen land.

 

Een halfuur lang heb ik het zicht

op wolkentocht en morgenlicht.

 

Hoe nodigt mij de horizon!

Dat ik zijn wenken volgen kon . . . . . .

 

 Maar ‘k weet dat in een haagse straat

een school op mij te wachten staat.

 

Een koppel eenden wiekt voorbij:

ze roepen: kom en trek als wij!

 

Maar volgde ik hun lokgeluid,

dan vloog ik rap mijn baantje uit.

 

Dus trap ik door – Nog even kijk

ik naar het glanzend wolkenrijk:

 

De laatste hoek:; daar is de poort –

èn wolk èn eenden trekken voort

 

 

 

Bij de familie Acksen op de woonboot

 

Elk raam omvat een schilderij

en ieder venster maakt me blij

 

door zijn verheugelijk verschiet

van water, weiden, rus en riet.

 

Zelfs ’t uitzicht van de keuken is

een feest van plomp en gele lis

 

en de open deur van het toilet

(O schoon langdurig – toeven) zet

 

een landschap op de horizon,

dat van een Potter wezen kon.

 

Geen uur is zonder nieuw aspect:

een fuut, een meerkoet, een insect.

 

’t Refrein van ’t karekietenlied

is ook dààr steeds "Je ziet me niet";

 

en alle lieve dagen lang

ruist door de kreek de windezang.

 

 

  

 

 

Mei

 

De eerste kaarsen branden al;

nu nog een dag of tien, dan zal

o kind! op al die bomen

(Dat is het Kerstfeest van de Mei,

zou ‘k bijna zeggen) licht en blij

een leger kaarsen komen.

 

Dan moet je hier wéér kijken gaan

en blijf dan bij de gróótste staan;

een stralend lentewonder.

Hoog boven je de volle brand

van witte kaars op groene hand

en jij er zwijgend onder.

 

 

 

 

Naderende herfst

 

Daar komt de rustverstoorder aan –

De zomer heeft z’n best gedaan.

Nu is hij aan de beurt: Ruim baan

voor ‘n heerser om te duchten!

 

Wie a zegt, zegt meestal ook b –

Hij spelt het hele abc,

brengt stormen, mist en regen mee:

Kijk maar eens naar die luchten!

 

Eén gure dag duurt reeds te lang;

o zeker. Maar wees niet te bang;

Hij heeft meer noten op zijn zang

en eenmaal zult u zuchten

 

van stil genot om wat hij deed:

Straks hangt hij ‘n goudbrokaten kleed

om beuk en berk; en voor u ‘t weet

voelt ge uw hekel vluchten.

 

Voor mijn klas

 

Kind, ga niet achteloos voorbij

aan ’t bruidskleed van de blonde mei;

Gods glanzend scheppingswonder.

O leef toch met een open oog!

Zoek in het park een bloesemboog

en sta er zwijgend onder . . . . . .

 

Gelukkig, wie een plekje vindt,

waar hij met bloemen, vogels, wind

en zon alleen kan wezen.

Waar hij verstild Gods fijnste schrift

(dat in de blaad’ren staat gegrift)

als ’t mooiste boek mag lezen.

 

 Aan onze gevleugelde vrienden

O blijde vogelen des hemels,

die weet van wet noch politiek –

heb dank voor uw gezelligheden

en voor uw vrolijke muziek;


voor ’t kwettertaaltje van de mussen;

voor wat de schuwe koekoek roept;

voor ’t druk gedoente van de lijster,

wanneer hij van de bessen snoept;


en voor de gratie van de meeuwen,

die op een blauwe zomerlucht

hun vreugden schrijven; voor de uiver

hoog in zijn cirkelende vlucht;


en voor het koddige klein-Jantje;

voor ’t nestje van de karekiet;

en voor de visdief, als hij flitsend

(en zelden mis) in ’t water schiet;


voor ’t statig varen van de zwanen;

voor ’t donzen pakje van een jong

en voor het lied, dat gisteravond

een merel in ons tuintje zong;

 

voor ‘t luide lachen van de spechten

en uw genoegens in de mei;

voor ’t dom gekakel van de kippen:

Toktok, alweer en nòg een ei!


Ik ben al blij, als gij een veertje

verliest en ik zo’n veertje vind.

Ik zie zo gaarne uw ravotten

met al de nukken van de wind.


Ook op het hoogste, dunste takje

bewaart ge nog uw evenwicht;

en op het kleinste, smalste paaltje

weet ge te landen – vederlicht.


Fazanten, wulpen, eksters, gaaien –

gij leeuwerik en wielewaal –

’t Verheugt mij, dat ik u na jaren

van zwijgen eens mijn dank betaal!

  

 

Kaartspelers op het Haringvliet

 

Zij ruzieden om schoppenvrouw –

Het water deelde in het blauw

des hemels, wijl ‘k een zonnebaan

van boot tot horizon zag gaan.

 

Alsof ’t eens konings heirbaan was,

betegeld met het edelst glas –

zo vonkten van de kim tot mij

de zonnesterren, blank en blij.

 

Wij voeren door een blauw heelal

gevloerd met zilver en kristal –

O licht! O feestelijke vaart! –

Zij maakten ruzie om een kaart.

 

 

Personeelsvergadering

 

Er werd gesproken over orde,

het leerplan en een fris idee

voor tekenen – Er kwamen wolken

en och, die namen mij weer mee.

 

Het waren van die zilverwitte;

net schepen met een lading licht –

soms is het zwaar, actief te blijven

inzake arbeid, taak en plicht.


Vaag hoorde ik een stem beweren:

Zo maken wij de zaak gezond!

Ik zat te gluren naar de wolken,

als rijpe gerst zo prachtig blond.

 

Gelukkig bleken alle stemmen

voor dat genezende idee

Maar sterker wist ik me gebonden

aan ’t blonde kroost van zon en zee.

  

Paddestoelen

 

Ik schoof het dode blad terzijde

en tussen ’t glanzend kussenmos

verscheen, met fraaie roze tinten,

een pronkjuweeltje van het bos.

 

Bij ’t naarstig verder zoeken vond ik

er nog en weer één rond een eik:

Zes, zeven frisgekleurde burgers

van ’t feeërieke zwammenrijk;

 

waar hanekammen koning kraaien

een elfenbank tot rusten lokt

het eekhoornbrood een maal betekent

en vliegenzwam hetzelfde jokt.

 

 

Reiger

Hij wierp zich op de wieken

en zweefde langs de lucht;

hij gleed en steeg en daalde:

één lange, blijde vlucht.

 

Hij speurde naar een groenrok,

hij hoopte op een vis

en dacht: Daar zit er eentje

vlakbij die gele lis.

 

Vrind Kwak kon nèt nog denken:

Wat is er aan de hand?

Toen was er ’n kikker minder

in ’t wijde waterland.

 

Tevreden steeg de rover,

hoog over hof en huis

Ik zag hem weder dalen 

bij ’n draaiend molenkruis.

 

Eén drama was voltrokken;

een nieuw bedrijf begon

en ’t landschap lag zo vredig

te glanzen in de zon.

 

 

Aan zee

 

De branding ruist met elke roller

een handvol schelpen op het strand.

Ik zie een rose en een paarse,

een grote en één fijn getand.

 

Een kind, te gaaf om kwaad te denken,

speelt in haar soberste gewaad –

zo blank en blij als ’t rose schelpje,

als Eva in haar eerste staat.


’t Is alles blank en blij vanmiddag,

alsof er gáns geen kwaad bestond.

Ik neem dat rose schelpje

 mede, waardoor ik dit gedichtje vond.


Het is zo wondermooi getekend;

het lijkt een kleine vlinderwiek,

Het wederzien zal mij herinn’ren

 aan ’t ruisen van de zeemuziek.

 

 

 

 Borduurwerk

 
Gij wilt de draden van uw leven

naar eigen welbehagen weven:

Ge maakt een schema, hebt een plan;

er komt wat teekning in en dan . . .

Eén na één gaan draden breken;

schone kansen zijn verkeken.

De pracht van het gedroomd geluk

slaat op de harde feiten stuk.

Het leven lijkt u wreed en boos.

Maar zou ’t niet mooglijk zijn een roos

te maken van kapòtte draden?

Verlies mag toch niet enkel schàden!

 

 

  

Schip aan de ketting

 
De “Bries” is uit de vaart genomen;

de ranke boeg tot rust gekomen.

Maar want en wimpel melden nog

de onrust van de windestromen.

 

’t Geheim van overzeese landen,

de brandingval op vreemde stranden,

de schuimbaan van het kolkend zog

zijn in mijn dromen weer voorhanden.

 

Die zwerven van het lichte heden

naar ’t schemerduistere verleden

en ik gedenk, hoe kof en kog

naar ongeziene verten gleden.

 

 

Herfst

 
Het bos steekt zich in feestgewaad –

Er drijft een muffe lucht van zwammen

maar ’t lover van plataan en beuk

staat als een vuur-boeket te vlammen

 

Een fijne ochtendmist verzacht

de gloed van ’t najaarszonnegloren,

welks felle stralenpriemen door

de blaad’renmozaïeken boren.

 
Hoe vreemd, dat voor de eigen dood

het bos zich hult in feestgewaden

en ik een afscheid mee-beleef 

op gouden, enkel gouden paden.

 

 

 Het glanzend lijnenspel

 

Vaak lijkt dit leven op een schuur

met oude, wrakke wanden.

De deur is dicht, de luiken toe;

maar ‘k zie het zonlicht branden

 

door hier een spleet en daar een kier

en ergens een zeer Brede.

En zo is er toch licht genoeg

voor elke naaste schrede.

 

Het glanzend lijnenspel van spleet

en kier helpt ons geloven,

dat onze schuur gevat is in

Gods licht – rondom en boven.

 

 

 

Wij zijn als schepen onderweg

 

Wij zijn als schepen onderweg –

Gij leest de naam af van mijn steven;

ik spel de letters in uw zeil.

Dan strijken wij de vlaggen even.

 
Maar of de vlag de lading dekt

en wat aan moeite, nood en zorgen

het ruim bevat – dat blijft van u

voor mij, van mij voor u verborgen.

 

Kunt ge het verre niet bereiken

 

Kunt ge het verre niet bereiken,

dan moet ge naar ’t nabije kijken:

Een simpele vergeetmeniet

bezit wat stroom noch berg u biedt;

en ’t mooie plantje zilverschoon

spreidt zulk een tere pracht ten toon

als ge in zee noch sterren vindt –

Zo groet u ieder zonnekind.

En alle wond’ren, die het licht

aan water, lucht en land verricht

zijn alle dagen u nabij

als een betoov’rend schilderij.

Kunt ge het verre niet gaan zien,

zoek wat nabij is en misschien

ontdekt ge op uw kleine tocht

méér dan die ’t in de verte zocht.

 

         *    *    *    *    *    *

  

    Zeg een vriend'lijk woord en

     help wat hier en daar,

   ’t Leven wordt voor and’ren

     dan wat minder zwaar.

 


     

 

 Ik pendel tussen wit en zwart,


Ik pendel tussen wit en zwart,

door beider samenhang verward.


Kom ik er hier niet uit – wat nood,

als ’t leven voortgaat na de dood.


God, ik vertrouw dat Gij ’t verstáát

als ons geloof aan scherven gaat.


Ik dank voor alle fijne dingen,

die nog altijd mij omringen.


Ik dank voor wat wij samen zagen

op vele zonnerijke dagen.


Ik dank dat ik gezond mag zijn

en zonder handicap of pijn.


Ik dank ook dat ik dichten kan –

wat ben ik een bevoorrecht man.


Ik bid, of Hilde mijn geleide

mag zijn – als een reeds-ingewijde.

 

Nu moet ik verder zònder vrouw,

maar mèt de vreugde van mijn trouw.


De hemel is blauw en de weiden zijn geel -

en ik loop “hier” met een brok in mijn keel.


“Wat is het prachtig!”, maar ik wilde

zo graag weer zeggen: ”Mooi, hè – Hilde

 

 
                   ҉          ҉          ҉          ҉

 

Na afloop

IK heb de wijdheid zeer bemind –

een lichte ruimte, waar de wind

vrij spel heeft op abeel en eik;

 het mateloze groene rijk

van gras en granen, rus en riet,

waar aan de kim het groen vervliet

in het pastel van blauw en grijs.

De wind bracht dikwijls op zijn reis,

vanuit de horizon der zee,

de fraaiste wolkenstoeten mee;

en als ik zwierf langs meer of beek,

door wei of akkerland, dan keek

ik tachtig van de honderd keer

naar ’t wolken-zweven, telkens wéér.

 

En na de láátste afloop zal

de wereldwijde hemelhal

één mateloze groene baan

voor ’t spel der winden open staan,

nog weer en weder, dag na dag;

de pracht, die ik zo gaarne zag . . . .