Gedichten P.de Vries 

         

 

Zonsondergang aan zee

 

o Rembrandt – éénmaal uw palet,

opdat ik op het linnen zet

de prachten van de hemelhal

ten tijde van de avondval.

 

Van louter goud is het plafond –

als in een koningszaal. De zon

verleent, als blijde afscheidsgroet,

het luchtpaleis haar schoonste gloed.

 

Stilaan sterft aan de westerwand

der grote zaal de gouden brand

en dooft ook op de watervloer

het laatste tere parelmoer . . . .

 

 

Op een duintop

 

Een zeil in zicht – en verre stranden

gezoomd met schuim en schelpenranden

verschijnen in mijn visioen.

Er deinen zeeën, oceanen;

een vlag ontplooit z’n bonte banen

en ik gedenk de eeuwen toen

 

de kapiteins van broze boten

door storm en stilte, onverdroten,

hun koers bepaalden op een ster.

Een zeil in zicht – en mijn gedachten

verwijlen bij de voorgeslachten,

bij kusten, kapen – maatloos ver.

 

Als jongen was ik aan de haven;

daar kon mijn speelse hart zich laven

aan wind en water, zilt en zout.

Na ’t vallen van de wilde haren

bleef deze winst, na vijftig jaren:

Dat ik zoveel van schepen houd.

 

 

Ik vond een kleine edelsteen

 

 Ik vond een kleine edelsteen;

het was opaal en kwarts inéén;

misschien topaas en malachiet

of bergkristal. Dat weet ik niet;

 

want ik ben kenner . . . . noch expert;

maar wat ik vond, blonk als een ster

in het juweel der Noorderkroon.

Het was heel simpel èn zo schoon.

 

Ik zag . . .? Ik zag . . . ? Een druppel dauw!

Hij glansde groen met wit en blauw

en als ik even mij bewoog

schonk mij de kleine regenboog

 

een andre kleur: De warme tint,

die men in ’t ochtendpurper vindt.

’t Was één der wonderen, die het licht

aan water, land en lucht verricht

 

en die ons overal nabij

zijn in plantsoen en tuin en wei –

Ik vond het fijnste edelglas,

een stersaffier, zomaar in ’t gras.

 

 

 

Ik las verzen van Gezelle

 

o Als ik zijn talent bezat

en over zulk een woordenschat

beschikte en zó schrijven kon . . . .

Hoe zou de luister van de zon

en ’t "ruisen van het ranke riet"

dan leven in een grootser lied!

De prachten van het wolkenrijk,

de kimmen rondom duin en dijk

de fakkel van de gouden brem –

’t kreeg schoner vorm en voller stem.

 

Dank, dat ook wat mijn pen u geeft

- een zwakker toon – uw w aandacht heeft.

 

 

 

Ik schreef voor de schooljeugd

 

Het is niet nodig om te weten

hoe al die duizend planten heten

op duin en dijken, wal en wei.

De hoofdzaak is, dat wij genieten

van zilverschonen en margrieten,

van toeterlof en cichorei.

Het is wel aardig om te weten,

dat ginds die gele "lissen" heten,

maar dit staat op het tweede plan.

’t Voornaamste is, dat je leert kijken

naar wat je pronken ziet en prijken,

want iedereen, die kijken kan

zal op wel honderd mooie plekken

een schat van vorm en kleur ontdekken

langs akkerzoom en waterbaan.

Je moet niet altijd willen rennen.

Probeer jezelf er aan te wennen

om af en toe eens stil te staan.

 

 

 

Mijn vrouw en ik waren in Zwitserland en

wandelden kort daarna langs de Lek.

 

Waarom toch zijn wij hiervandaan

naar ’n ver en vreemd gebied gegaan?

Waarom ben ik niet gebleven, hier

bij wilg, abeel en populier

en deze blonde hemel? – Kijk!

Een wijd en machtig wolkenrijk

strekt zich naar alle zijden uit

en bij het landelijk geluid

(U kent het) van de karekiet

"Je hoort me, maar je ziet me niet",

denk ik: Waarom ben ‘k weggegaan,

bij deze weidse pracht vandaan?

De bergen waren schoon en trots.

Wij zagen steilte, kloof en rots.

Vaak hielden we de adem in

om het geweld van ’t oerbegin.

Teuggekeerd in dit gebied

van gerst en rogge, gras en riet

van wiel en wetering, herhaal

ik, anders, voor de laatste maal

(Ik hoop, dat u mij zult verstaan)

Het bloed kruipt, waar het niet kan gaan.

 

 

 

Venus van Michel Angelo

 

 

Hoe kon uit steen, zó stug en stijf,

na eeuwen sluimerend verblijf

zó schoon een vrouw ontwaken . . . .

 

Zij sliep in een gesloten huis.

Toen brak een hand de dichte kluis

en ging haar wakker maken.

 

 

En elke nieuwe hamerslag

bracht nieuwe gratie aan de dag,

die eeuwen was verborgen.

 

En elke nieuwe beitelhouw

ontsluierde de schone vrouw,

zoals het land de morgen.

 

 

 

De witte tovenaar

 

De winter heeft z´n kwaje kansen,

maar tov´ren dat hij kan, meneer!

Veel mooier dan de mooiste dromen,

het allermooist bij windstil weer.

 

Dan tikt hij met zijn wonderstokje

op kale bomen en oud riet.

En in het hermelijn gestoken,

herken je haast het landschap niet.

 

Hij roert wat in de wolken om

en even later vallen,

waar haalt hij ze zo gauw vandaan,

miljoenen sneeuwkristallen.

 

Terwijl wij slapen, strijkt zijn staf

onhoorbaar langs de ramen.

Die gaan dan bloeien als een tuin

met bloemen zonder namen.

 

Hij houdt hem zwaaiend boven ´t water

en hokus pokus, ´t wordt een baan.

Waar kort tevoren eenden zwommen

daar kun je veilig glijden gaan.

 

Maar is hij in een slechte bui

dan tovert hij je blauw.

En ieder wenst hem naar de Pool.

Wat heb je aan die kou ?

 

 

 

 

EVA

 

Een andere spiegel had zij niet –

het was de blanke beek

waarin zij eens (en méér) haar beeld,

mèt dat zij dronk, bekeek,

 

in blijde aandacht, argeloos,

verrast – zoals een kind

behagen in een mooie bloem

of kleur’ge vlinder vindt.

 

Totdat een vis met speelse slag

het klare watervlak,

alsook de schone beeltenis,

in zilv’ren scherven brak.

 

 

Op weg naar school

 

De wind heeft met zijn ruige kwast

mij duizend malen reeds verrast,

wanneer ik naar de hemel keek,

waarop hij breed zijn vegen streek

in wolkenprachten, wit of grauw –

opglanzend uit een stralend blauw

of dreigend met een oergeweld,

dat hagel, storm of sneeuw voorspelt.

Dit is een vreugdig dagbegin:

een machtig doek staat op de kim!

 

 

 

Aan de kust bij Kijkduin

 

Ze wilden daar naar olie boren;

vergeefs; nu rest er van de toren

alleen het zware onderdeel,

waarop ik, naar mijn wijze, speel –

 

haast overmoedig in mijn dromen:

Ik zit erop, tuur naar de zomen

der mateloze, blanke zee

en doe haar oergeluiden mee.

 

Ik fluit of neurie na, hoe meeuwen

elkander in de gang der eeuwen

beriepen en hun kalme vlucht

bij ‘t afscheid aan de avondlucht,

 

De zon gaat op; de zon gaat onder;

tweemaal per dag een stralend wonder

van gloeiend purper om mij heen –

een hal van goud en edelsteen.

 

Ik speur een grote hemelweide,

waar schapewolkjes zij aan zijde

nog grazen van het kwijnend licht;

dan trekt de westereinder dicht.

 

’t Is herfst; en kil. Ik groet mijn toren

en ’t stille strand bij ’t laatste gloren

der nedergaande zonnelamp,

gesluierd door een neveldamp.

 

 

Herinnert u zich nog het slot van

"De blanke top der duinen"?

 

De kleine wijzer stond op tien –

Ik had de beiaard niet gezien.

Zo klonk volkomen onverwacht

de sprankelende klankenpracht

van een verborgen carillon,

blij als een spel van wind en zon.

 

Het was een afgezaagd motief:

Mijn Nederland , ik heb u lief.

 

Maar vrolijk als een dartel kind,

blij als een spel van zon en wind

klonk langs de oevers van de Waal

het hooglied van de klokkentaal.

 

Dit gebeurde in Zaltbommel; vandaar wandelde

ik naar Haaften op een zonloze dag.

 

 

De oude koster

Sinds jaar en dag ziet hij de zon

haar glansen gieten over kronen

de smartenweg der statiën

katheder, kansel en ikonen.

 

Al wat zij aanraakt krijgt een ziel

van licht. Bijwijlen staakt hij ‘t werken

om haar te volgen in haar loop

langs altaartreden, muur en zerken.

 

En als de organist studeert

en Palestrina nis en hoeken

van schip en koor en beuken vult

vergeet hij stoffer, blik en doeken.

 

Eens trof hem zo een grijze abt;

de koster wou "Peccavi" fluistren –

een kort, goedmoedig handgebaar

en samen zaten zij te luistren.

 

De late middagzon zong mee

in ‘t gloeiend mozaïek der ramen;

en toen het slotaccoord verklonk:

bad zacht de prior "Amen . . . . Amen".

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik berijmde een sprookje

 

Een koning was doodongelukkig

en zie: Nu was zijn hoogste wens

eens in het hemd te mogen slapen

(Hoe vreemd . . . . ) van een gelukkig mens.

 

De hovelingen gingen zoeken –

tot één zo’n mens gevonden had.

Maar toen zij hem ‘’t geval vertelden,

bleek, dat de man geen hemd bezat

 

 

Ruim een half jaar geleden beleefde ik dit

aan de Kleiweg te Reiswijk

 

Een merrie draafde door de wei;

een veulen deinde aan haar zij.

Eenparig was hun samengaan

en met de één bleef de ander staan.

 

De manen van het moederpaard,

haar gladde flank, haar brede staart

‘t was àl zo schoon in ‘t zomers licht.

Het veulen hield zijn pas gericht

 

naar wat de moeder liet of deed.

Wanneer zij toefde, liep of schreed

dan liep of schreed het veulen méé

langs ‘t onverstoorbaar rundervee.

 

De ogen groot, de neuzen wijd,

de benen enkel sierlijkheid –

zo draafden door de zomerwind

een merrie en haar dartel kind.

 

 

 

1600 Slag bij Nieuwpoort

Slag bij . . . . Slag bij . . . . en zo voort

 

De doden worden niet genoemd,

hun pijnen en hun angst verbloemd,

want ieder jaartal is een mist

waardoor de smart wordt uitgewist.

 

Het zegt niet, wat een moeder leed,

noch wat aan ‘t front haar jongen deed.

Het is een nummer zonder meer,

een nummer op het veld van eer . . . .

 

 

 

Meisje – van – buiten in de Hoogstraat

 

Zij, aan de verten van het veld

gewend, waar gerst en rogge rijpen,

kan onze waanzin niet begrijpen,

hoeveel men haar ook heeft verteld

 

van steden, waar verdwaasden wonen

en iedereen – haast jacht en jaagt,

zich en zijn medemensen plaagt

met zaken, die de schepping honen –

 

op eten, geld of sex belust

(Een filmreklame doet haar blozen)

Zij draagt de adel van de rozen

maar is er zich niet van bewust.

 

Zij kijkt; en telkens denkt zij even

aan ‘t vredig dorpje, waar ze woont,

waar niets de schepping schendt of hoont

en waar het goed is om te leven.

 

En ik, die haar zo lopen zag –

de blos der klaproos op haar wangen,

diep in haar ogen het verlangen

naar veld en vee – ik prees mijn dag.

 

 

"De mens gaf namen aan alle dieren".

 

Dit citaat uit de Genesis-mythe gaf me het

onderstaande "gezelligheidje" in geest en pen.

 

En Adam mocht ze namen geven –

Die zijn helaas teloor gegaan.

We zouden wel eens willen weten

wat hij bedacht had voor de zwaan;

 

hoe hij de krokodillen noemde

en wat hij maakte van de leeuw;

of hij de eerste letters vormde

uit de figuren, door de meeuw

 

getrokken op de wolkendoeken;

en wat hij voor de muis verzon;

en of, na drie-vierhonderd namen

hij nieuwe nog bedenken kon:

 

Voor ‘t hert, dat langs de beken schreed,

de voorn, die door hun zilver gleed,

 voor ‘t hoen, dat over ‘t mosbed tripte,

de haas, die aan een koolblad nipte

 

en voor de kolibrie-smaragd,

de mol met z’n fluwelen vacht;

 de kikkers, die zo koddig sprongen,

de lijsters, die trouwlustig zongen

 

voor ‘t stekelvarken en de kluut,

de nummervlinder en de fuut;

voor otter, wormen en forellen,

voor ibis, grielen en libellen . . . .

 

Totdat hij riep: Nu is ‘t genoeg

en goede raad aan Eva vroeg.

 

 

Over een grafschrift

 

Twaalf jaren . . . . "Onze zonneschijn.

Dag lieverd". Hoeveel zielepijn

er schrijnt in deze laatste groet –

geen pen, die het ons peilen doet.

 

Diep over ‘t inschrift van de steen

buigt zich een gouden regen heen.

Luid, uit zijn lover, klinkt een lied

onwetend van zó groot verdriet.

 

En almaar zingt dat blije dier –

Misschien komt straks de moeder hier

zoals zij er al dikwijls stond.

"Dag lieverd", fluistert dan haar mond.

 

 

 

Eén van zijn leukste wijsjes neurend

 

verliet de wind zijn tochtig huis:

Een nieuwe reis begon – Ondeugend

blies hij een paardenbloemepluis

een kilometer ver naar ‘t Oosten -

Het volgend jaar straalt daar in ‘t gras

een kleine gouden zon, alsof het

een vonk der èchte zonne was –

Er dreef een rustig roomwit wolkje

hij schoot er met een vaart naar toe

en ‘t scheepje zeilde driemaal vlugger.

Toen, op een straathoek, riep hij: Boeh

en een geschrokken chieke dandy

greep dwaas-gebarend naar zijn hoed.

Zes zeven straten verder lachte

de dolle wind nòg: Die was goed.

Hij rolbedoesde door een bongerd

en ‘t sneeuwde plots uit elke kroon.

Hij hield de adem even in en zuchtte

om zoveel blankheid: Dat was schoon.

 

Des avonds, toen de zon ging slapen,

heeft ook de wind een plek gezocht

waar, moegestoeid en moegeblazen,

hij enk’le uren rusten mocht.

 

 

 

Aan mijn dochter

 

Toontje heeft een plaat gestolen.

Toontje pikte onverholen

uit een huis een foto weg.

Maar dit heeft hij zwaar geweten,

want het heeft hem zeer gespeten –

meer dan ik in verzen zeg

 

of kàn zeggen. Onze Toontje

leerde Ellen en zijn zoontje,

dat je nimmer stelen mag,

maar toen hij een plaat passeerde,

die hij heviglijk begeerde

was ‘t voor hem een zwarte dag.

 

Zwakke Toontje is bezweken.

Nu kan Toontje nooit meer spreken

van versterving, deugd en eer.

Toontje had al duizend platen;

toch kon hij die greep niet laten,

want een mens wil altijd méér.

 

Vroeger heeft hij ‘n paard getekend

maar nog nimmer uitgerekend

het verschil van goed en kwaad

Toontje deed maar zonder denken

toen een Griek hem stond te wenken

op die weergaloze plaat.

 

Toontje is nog niet volwassen

blijkbaar, Klas na klassen

diende hij met woord en daad.

Voor de zware gang van ‘t leven

heeft hij goede raad gegeven.

Zelf verkocht hij zich aan ‘t kwaad.

 

 

 

Een meisje van 11 is dol op maanlicht.

 

 Jij slaapt al uren, kind. Ik kijk

nog even naar het sterren rijk.

 

Voor ’t ingaan van de lichte nacht

geniet ik van die stille pracht

 

Licht, want de witte volle maan

kwam in de Winterzeshoek staan

 

Ik denk, dat jij hem ook wel vond,

Toen hij zopas wat lager stond.

 

Wat sneu, dat je moet slapen, kind!

Ik weet, dat je het prachtig vindt,

 

als door een kier van het gordijn

de daken net van zilver zijn

 

en elke boom, als ragfijn kant

zijn kroon spreidt op het sterrenland;

 

terwijl de vriendelijke wind

een wijsje neuriet voor een kind,

 

 dat eigenlijk naar bed moest gaan

maar niet kan scheiden van de maan.

 

 

 

 

    

              

Voor de jeugd

 

Door een groene poldersloot

vaart een kleine eendenvloot

voorop moeder Snaterbek,

achteraan Josientje Kwek.

 

Die Josientje is brutaal,

gaat maar telkens aan de haal,

scharrelt tussen bies en riet,

zodat moeder niet meer ziet,

 

waar Josientje is gebleven.

Eend-zijn is een hachlijk leven:

achter elke ruige hoek

loert gevaar van rat of snoek.

 

Waar Josientje nu weer is

in dit woud van riet en lis?

Kom tevoorschijn, klein kanalje!

Vlug wat, hoor je ‘t? Of ik zal je.

 

Kijk, Josientje vaart weer mee

door de groene eendenzee.

 

 

Moeder waakt maar, fel en fiks;

doodsbenauwd voor waterratten,

Snoekenbekken, honden, katten . . . . . .

’t Kleine Kwekje weet van niks;

 

slobbert kroos, verschalkt een slak,

heeft aan alle dreiging lak

en laat moeder rustig waken

tot de dag, dat het kan kwaken.

 

 

Kinderlach

 

O kind, hoe kom je aan die ogen

waar heel je jonge ziel in lacht!

Het is een heerlijkheid te mogen

kijken naar zulke sterren uit de nacht

,

van deze donk’re, troeb’le wereld;

dit dikwijls glansloze bestaan.

En dan je zingen! Kind, je merelt

mijn laatste zorg weg – Waar vandaan

 

haal je het wonderbaar vermogen

om iets van ’t vroegere paradijs

te laten stralen uit je ogen

in deze baaierd, koud als ijs,

 

en onherbergzaam als woestijnen.

Wil je dit licht beschutten kind,

dat het niet ganslijk zal verdwijnen?

Zorg, dat je blik Gods Hemel vindt.

 

 

Over een rustig plekje

 

Er stonden jonge berken,

niet hoger dan een mens.

Er woei een zuidenwindje –

volkomen naar mijn wens.

 

Er waren geen geluiden

dan die van de natuur.

Dat uur had één tekort slechts:

Het was te kort van duur!

 

God, dicht Gij door mij heen?

 

God, dicht Gij door mij heen?

Wat is dit wondre drijven,

als ‘k niet kan achterblijven

en mee moet – naar waarheen?

 

Ikzelf maak het begin;

het slot is mij verborgen –

als de avond in de morgen.

Van mij is het begin;

 

maar dan ontwaakt een drift,

die ik niet kan beschrijven.

Soms wil ik achterblijven;

toch komt mijn lied op schrift.

  

Van U is ȧlle ding:

God, dichten wij dan samen?

Dan moeten er twéé namen

bij staan, wanneer ik zing.

 

 

Aan een mijlenvraat

 

Je reed al acht keer naar Parijs,

maar was je ooit in Warder?

Och, waren alle mensen wijs . . . .

Het moet steeds verder, harder

en buitenissiger. Men trekt

naar vreemde horizonnen;

maar wie de eenzaamheid ontdekt,

dìe weet: Hìer is ’t begonnen,

het goede leven; bij een beek

een boom of op de heide.

Men zoekt het in een verre streek;

vlakbij is ‘t - in een weide

of rond een zoevend molenkruis

en op de bonte bermen

met stuivend paardebloemenpluis

en engelwortelschermen.

  

Wie hoorde ooit van Warder – wie?

Je moet het zelf maar vinden.

Voor mij is het een melodie:

De wijzen van de winden,

de zachte zang van deinend riet,

het kabbelen van water –

’t leeft in die naam als in een lied.

Misschien ontdek je ’t later,

wanneer je ziel, geremd, vermoeid

door ’t jarenlange jachten,

nog als een aster openbloeit

naar stiller, teerder prachten . . . .

 

 

Als Rembrandt nu eens naast me stond,

 

Als Rembrandt nu eens naast me stond,

ik weet, dat hij ’t hier schoner vond

dan ik het ooit kan vinden.

Naar alle vier de winden

is ’t weelde, wat de zonne doet:

Dat zilverlicht, die gouden gloed.

En zijn penselen streelden

op ’t linnen al deze weelden

van waterbaan en weideland,

de wolkenpracht, de zonnebrand . . . .

 

Ik wilde u nog vragen:

Zou hij naar een museum gaan

of ook in deze wijdheid staan

op zulk een dag der dagen?

 

 

Een boerenmeisje stapte uit

 

Ze sloeg een stille zijweg in.

Dat was een vreugdevol begin

langs buigend riet en wuivend hout.

Wie weet wat aanstonds zich ontvouwt

aan prachten: Op een bonte berm

met engelwortel, scherm na scherm

met duizend bloemen, geel en rood.

En straks is er beslist een sloot,

waar ’t wemelt van de gele lis.

Zij weet niet, dat er nog één is

die haar zo dolgraag volgen zou

langs bloemen, purper, wit en blauw,

maar die in een benauwde bus

moet blijven hangen aan zijn lus.

Geen mens vermoedt, hoe ’t in mij schrijnt,

als iemand naar de kim verdwijnt

en ik als een gebonden man

zo’n wandelaar niet volgen kan.

 

De bus rijdt verder. Door het raam

lokt mij een dorpje – zonder naam.

Witglanzend trekt een wolkenstoet

de Oostereinder tegemoet;

en ginder loopt een eenzaam kind,

blij om de zon, blij met de wind.

 

benijd door één, die haar zo graag

zou willen volgen – juist vandaag

met zulk een hemel, zulk een pracht

van zonnegloor en bloemendracht.

 

 

 

Zij hingen bij tabak en drank

 

Zij hingen bij tabak en drank

hun Zondag te verniksen;

de welgedane kroegbaas stond

een nieuwe dronk te mixen.

 

Geluiden vielen hard en schel

door ‘’t open raam naar buiten,

waar onverstoorbaar op een paal

een vogel zat te fluiten.

 

En rondom lag de polder, groen

en wijd, in ’t zonneglanzen,

in ’t water van de ringvaart dreef

een koppel witte ganzen.

 

De hemel was een blauwe zee,

waarover witte schepen gleden

En ’k zuchtte om de drinkebroers,

die zò een mooie dag verdeden.

 

 

Oorlogsberichten

 

Ze weem’len altijd van getallen

en termen van massaal geweld.

Dat er één veelbelovend leven

verloren ging, wordt nooit vermeld.

 

Ze spreken over achterhoeden

of troepen in de voorste lijn;

maar nimmer van dat ene sterven,

die ene angst, die ene pijn.

 

Ze hebben nette vreemde woorden

voor wat misdadig is en slecht;

maar dat een kind werd blindgeschoten

- één enkel kind – wordt niet gezegd.

 

O, Zoeker van de éne penning,

het éne schaap, de éne zoon –

nog is Uw leed niet uitgeleden;

nog draagt Gij hier Uw doornenkroon.

 

 

 

Een gesprek met een paar Haagse (meer)koeten

 

Waar heb ik jullie meer gezien?

Was ’t bij Rijp-Wetering misschien?

Hier drijven jullie in een gracht;

daar zwom je langs de gouden pracht

 

van penningkruid en gele lis,

waar ’n wereldwijde hemel is,

zich welvend over een gebied

van waterbanen, gras en riet –

 

De lis verlepte en de tuin,

die Holland heet, werd grauw en bruin.

Van harte welkom in de stad,

ver van het landelijke pad,

 

dat mij toen bracht bij jullie sloot.

Bedankt, meneer. Hebt u wat brood?

Ginds leefden wij in overvloed;

hier is het armoe voor een koet

 

Het klinkt wel niet, zoals het hoort,

maar wie eet van een welkomstwoord?

We hopen langer dan vandaag

te leven – met een volle maag.

 

Misschien tot kijk, het volgend jaar;

niet hier, maar vrij en vrolijk daar.

 

 

In het centrum van Den Haag

 

Vervreemd van oorsprong en natuur,

ontwend aan wat er stil en puur

te bloeien staat als plant of gras

geniet men hier van "het terras".

 

Een halfuur verder deint het riet;

daar klinken roep en stem en lied

van koekoek, wulp en wielewaal –

elk in z’n eigen schone taal.

Hier zijn de stank en het rumoer;

ginds bij de koeien en de boer

zijn velden, groen en fris en breed.

Vreemd, dat een mens dit niet meer weet.

 

Hij is een zeer bevoorrecht man

 

Hij is een zeer bevoorrecht man,

die duizendmaal genieten kan

van wat hij duizendmaal reeds zag;

dezelfde schoonheid – dag na dag.

 

O zie, wat U de hemel biedt;

een pracht, die zelfs de stad U liet,

hoe breed zij ook werd uitgebouwd.

 

Het bonte wolkenrijk ontvouwt

U zulk een hoge heerlijkheid,

dat slechts de ruige majesteit

der zee haar evenaren kan.

Ook Uw straat heeft een deel ervan.

 

U kunt niet steeds de verte zien.

Schouw wat nabij is en misschien

ontdekt U op een kleine tocht

meer dan wie Amerika bezocht.

 

Ten Oosten van Leiden

 

Dit is de streek, die Rembrandt zag –

Het windgeruis, de zonnelach

van toen zijn er ook deze dag.

 

Weer tjuikt, verborgen in het riet

een ijverige karekiet

‘t staccato van zijn jolig lied.

 

Als eertijds in de gouden eeuw

klinkt over ‘t polderland de schreeuw

van een verdwaalde zilvermeeuw.

 

Vanuit het Westen brengt hij mee

de frisse adem van de zee –

In vrede graast het stille vee.

 

Met felle flitsen, af en aan,

zoekt ginds een gouden torenhaan

zijn standpunt in de windebaan.

 

Een futenpaar duikt in de plas;

een leeuwerik stijgt uit het gras.

Ik hóór het, maar ik zie hem pas

 

wanneer ik aandachtig tuur

naar ‘t luchtgewelf, dat blauw en puur

de kroon zet op dit rijke uur.

  

 

Tot een kind ( Binnensmonds )

 

Spring maar touwtje; rol je knikkers;

ga naar buiten, speur naar kikkers

watertorren, salamanders;

gooi een bal of doe wat anders

dat je jonge hart verheugt.

Dol en dartel door je jeugd –

deze jaren zonder zorgen:

Niemand weet nog iets van morgen.

 

 

U raadt wel over wie het ging

 

Ik heb gedroomd, toen zìj krepeerden

in ‘t helse concentratiekamp.

Ik heb gedicht, toen zij vergingen

van honger en een wilde kramp

 

hun lege magen fel doorvlijmde.

Ik rook aan rozen of genoot

van zee en zon, terwijl zij snakten

naar ‘t wenken van de trage dood.

 

Op ogenblikken, dat ik door een

insekt of vogel werd verrast,

is daar een mens, die ook het leven

bemind had, als een rat vergast.

 

 

Slecht weer

 

Stilaan stonden alle buren

naar de zwarte lucht te turen:

Teun en Tinus, Trijn en Trui –

Tjongejonge, wat een bui!

 

Trijntje –buur deed om haar oren

gauw een doek, die kort te voren

kurkdroog aan de knijpers hing;

en Trui ( met haar wipneus ) ging

 

méters achteruit, als ‘t lichtte.

Ome Teun, die ramen dichtte,

schudde zijn bejaarde hoofd:

"k Zegje, dat dát wat belooft."

 

Deksels, hoe de regen klatste,

spetterde en spoot en patste!

Teun zei: "Dat is voor mekaar.

Weet je nog van vorig Jaar?"

 

En toen kwamen de verhalen:

Over Brammetje van Dalen;

die ging, op m’n woord van eer,

van z’n stokkie bij zulk weer.

 

 Stilaan dreef de regen over.

Buurman Tinus zei: "Nee, zó ver-

schrikkelijk als ‘t nou toch was!

Bij ons achter is ‘t één plas."

 

 

Vuurwerk op een vijver

 

O kijk toch: Op die waterbaan

gaan almaar lichtjes uit en aan;

 

drie sterren hier en dertig daar,

ginds meer dan duizend bij elkaar.

 

Wie eenmaal op een zonnedag

zo’n sterrenhemel vonken zag

 

- beneden zich en nìet omhoog;

op zee soms tot de kimmeboog –

 

die keert wel honderd keren t’rug

naar pier of kade, duin of brug.

    

 

In februari 1948 zag ik een vrachtschipper bij

het z.g. Groenewegje en schreef dit vers:

(Vanwege de tweede helft wil ik het bewaren)

 

Er wachten schuiten voor de brug,

een viertal. Hij ligt nummer één.

Intussen, om toch iets te doen,

kijkt hij geërgerd om zich heen

naar ’t stadsgedoe. Het duizelt hem:

Lawaai van karren, bus en tram,

wat hem na jaren nog vervaart.

(Voor mensen, die de stilte kennen

is ’t moeilijk aan zoiets te wennen)

Hij gromt wat in zijn grauwe baard.

Maar eindelijk: Daar draait de brug;

nu kan hij naar de ruimte terug!

Nog ene sluis; dan het kanaal.

De motor af; het zeil in top.

Dat gaat erlangs! Zo schiet het op.

Hij wordt weer mens bij ‘t fijn verhaal

der windestem in riet en bomen,

die links en rechts de vaart omzomen.

Zijn mond blijft stil; zijn hart gaat zingen;

een kinderlied; een oude wijs,

die bovenkomt op elke reis

bij ‘t kijken naar vertrouwde dingen:

"In ‘t groene dal, in ‘t stille dal . . . ."

Alleen ontbreekt de waterval;

maar bloemen ziet hij overal.

Het allerliefst de heggewinden,

die langzaamaan

al sluiten gaan:

De zon is aan het eind der baan.

Hij moet een meerplaats zien te vinden.

 

Het zeil schiet in één ruk omlaag;

de ankerketting geeft een gil;

het water breekt. Dan is ‘t weer stil.

Dat doet hem goed: ‘t Was druk vandaag.

De toplamp van de oude schuit

strooit kleine sterren op het water,

dat met z’n monotoon geklater

een slaapdeun neurt in de kajuit.

 

Een klokslag benedijt de landen –

Hij denkt aan ‘t smalle straatje, dat

hij vaak voorbij komt in de stad

en dankbaar vouwen zich zijn handen . . . .

 

(Het is één van mijn eerste gedichten)

 

 

Verstoorde herfstidylle

 

Een hinde tripte door het bos

met glanzend bruine ogen.

Daar stond haar groene wereld in

gespiegeld: Al de bogen

 

der beukenarmen, gaaf en glad;

de ruwe eikestammen;

en ‘’t gloeien van het gouden vuur

der eerste najaarsvlammen.

 

Zij nipte aan een blaadje, deed

een kleine stap naar voren

en meende – als uit steen gebeeld –

een ver gevaar te horen.

 

Toen, ongeduldig stampend met

haar hoge, ranke benen,

is ( Had de wind haar iets gemeld? )

zij zwevend haast verdwenen.

 

 

Ge weet, dat geld maar slecht verzaadt-

 

Ik ken een mens, die soms de straat

bespuwt uit groene ergernis

om alle schraapzucht, die er is.

 

Hij arbeidt op een bankkantoor

en dag na dag legt hij zijn oor

 

te luistren naar wat A of B

belegt in Olie en wat C,

 

die in een luxe landhuis leeft;

voor speculaties over heeft;

 

en dat een bulkend-rijke vent

nog dood kan vallen op een cent.

 

Als dan de bel voor ‘t sluiten luidt

spuwt hij z’n gal eens even uit.

 

Wat helemaal geen wonder is

bij zóveel groene ergernis.

 

 Gezien - en geschreven – op 2 maart 1974

 


 

Kronkelsloot

 

Zoals dat slootje kronkelde

door ’t wijde, groene land . . . .

En ‘t zonlicht erin fonkelde . . . .

Een feestelijke brand!

  

Wat fijn toch, dat ons voorgeslacht

zo’n leuke speelse lijn

in menig polderslootje bracht!

Om dankbaar voor te zijn.

 

Het gros van wat wij maken is

veelszins recht toe recht aan

De charme, die ik daarin mis,

bezat die kleine baan

 

van water door een brede wei,

een groene zee van licht –

Zo’n slootje maakt me steeds weer blij;

wat blijkt uit dit gedicht.

 

 

Het grootste wonder

 

Het grootste wonder is voor mij

het stille worden in een ei

van zilvermeeuw en vlaamse gaai

van kwikstaart, kolibrie en kraai

en van de leuke pinguin.

( Dit zestal is nog maar ‘t begin )

van albatros en torenvalk

van kievit, koperwiek en alk

van merel, vink en kakatoe

van mus, parkiet en maraboe.

Mijn geest, die hiervan niets verstaat,

vereert dit wonder-zonder-maat

 

Ik voel, nu ik wat ouder word,

dat ik ze dikwijls veel tekort

gedaan heb op een wandeltocht,

als ik in hoofdzaak bloemen zocht.

Kijk – hierin zit voor mij de kneep,

dat fitis, heggemus en keep,

de groenling en de wielewaal

de kruisbek en de nachtegaal

( U merkt: Het wordt een lange rij,

zoiets van tok tok weer een ei )

de luide zanger in het riet

de pimpel en de bonte piet

de kwak, de kwartel en de koet

en hij, die met zijn naam ons groet

( Wat dit betreft: Hij niet alléén;

u kent er, denk ik, nog wel één )

٭

de jubelende vogel, die

de liturgie behartigt ( Wie

zijn psalmen ooit vernemen mocht

in ‘t veld, die onderbrak zijn tocht )

. . . dat alle deze, plus de fuut

de spreeuw, de ekster en de kluut –

zo angstig zijn, zo rusteloos

en nimmer eens een fijne poos

vlak voor mijn ogen blijven staan

of zitten – op een waterbaan

in ‘t bos of boven op een heg;

‘t is altijd: Even; foetsie; weg!

En dit vind ik toch wel zó sneu,

dat elke vogel, specht of kneu

kleinjantje, tuteluur of ral,

het vast van mij begrijpen zal.

Och, zaten ze maar in de wei

of op een tak als in het ei!

 ٭

Hiermee bedoel ik de leeuwerik

 

Zó was ik gekomen tot

dit steeds weer verschoven slot,

want ik breide almaar bij

aan dit rijm: Alweer een ei!

Maar na afloop zag ik, dat

ik de kip vergeten had

met haar meest-bekende ei;

dus die schrijf ik er nog bij –

Voor uw aandacht en geduld

dank ik u oprecht. U zult

met nog méér geduld misschien

heel aparte vogels zien,

 

" ‘k Zie ze vliegen!" roept u dan.

Elk denkt daar het zijne van;

maar dit hindert u geen zier,

kijkend naar een goudplevier,

die er geen benul van heeft,

dat hij u zó’n vreugde geeft.

 

Eén, die ‘t u van harte gunt,

zet nu eindelijk de punt.